Gevelisolatie en -afdichting in Nederland: de toekomst na Grenfell Tower

In dit artikel gepubliceerd op www.Brandveilig.com zijn Ruud van Herpen en Nico Scholten door Lynsey Dubbeld geïnterviewd over gevelisolatie en -afdichting naar aanleiding van de brand in de Grenfell Tower in Londen.

Afgaand op de statistieken zijn er niet veel redenen tot acute ongerustheid over de brandveiligheid in Nederland. Al jarenlang vallen er jaarlijks zo’n zeventig dodelijke slachtoffers bij branden in gebouwen. Ter vergelijking: in het verkeer komen elk jaar ruim zeshonderd mensen om het leven. “Veiligheid is een welvaartsverschijnsel,” zegt Ruud van Herpen, directeur en adviseur van de Nieman Groep, en daarnaast fellow aan de Technische Universiteit Eindhoven (TUe) en lector aan de Saxion Hogeschool in Enschede. “We hebben het geluk dat we een welvarend land zijn waar we bereid zijn om te investeren in veiligheid – en dat betekent dat we een hoog veiligheidsniveau hebben. We hoeven ons dan ook geen hele grote zorgen te maken.”

“Natuurlijk gaat brandveiligheid over veel meer dodelijke slachtoffers alleen. Ook gewonden zouden we moeten meetellen”, nuanceert Van Herpen. “De maatschappelijke kosten van brandgewonden – zo’n 1200 per jaar – zijn hoog. De behandeling van brandwonden vereist veel zorg en heeft een grote impact op de kwaliteit van leven van slachtoffers. En hoeveel we ook investeren in brandveiligheid van gebouwen, het is niet realistisch om te denken dat we het aantal doden en gewonden tot nul kunnen reduceren.”

Na de brand in de Grenfell Tower in Londen, waarbij meer dan tachtig doden vielen, werd de oorzaak al snel gezocht in de polyethyleen gevelplaten. Het ging om een type dat in het Verenigd Koninkrijk niet toegepast mag worden in gebouwen hoger dan achttien meter. Kunststof isolatiematerialen zijn niet per definitie brandgevaarlijk, legt Van Herpen uit. “Uit onderzoek van de TUe naar brandrisico’s van kunststof isolatiematerialen blijkt dat deze brandbaar zijn, maar dat deze bij een goede afdichting van het isolatiemateriaal aan de binnen- en buitenzijde niet per se bijdragen aan de ontwikkeling of uitbreiding van brand. Het probleem ontstaat als de detaillering rond ramen en verdiepingsvloeren niet goed is, of niet nauwkeurig uitgevoerd is. Op papier kan het allemaal kloppen, maar de uitvoering moet ook op orde zijn.”

Nico Scholten, senior expert van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw, herkent de risico’s die in de praktijk kunnen ontstaan. “Op papier doen we het in Nederland zeker niet slecht. Of we de voorschriften in de praktijk goed toepassen, is een punt van discussie. In NEN 6068, de normen voor branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten, is bijvoorbeeld vastgelegd dat alle mogelijke brandtrajecten moeten worden geïnventariseerd. Dit om te voorkomen dat er langs de gevel brandvoortplanting plaatsvindt. De branduitbreiding via de spouw én de isolatiematerialen moeten worden bekeken. Dat betekent bijvoorbeeld dat de spouw in bepaalde situaties gecompartimenteerd moet zijn. En bij openstaande spouwen moet het isolatiemateriaal een lage klasse van brandvoortplanting hebben. In principe is er voor elk type isolatiemateriaal plaats in brandveilige bouw, maar je moet wel weten waar je mee bezig bent. Dat is in de praktijk niet altijd het geval.”

Scholten waarschuwt voor de risico’s die ontstaan door gebrekkige uitvoering van de bouwvoorschriften. “Als er onbrandbaar materiaal rond de isolatie zit, zoals metselwerk, en de vlammen het isolatiemateriaal dus niet kunnen bereiken, is het risico niet zo groot. Maar als het isolatiemateriaal vlam kan vatten, bijvoorbeeld omdat de spouw niet goed is gecompartimenteerd, dan kunnen er echt dingen fout gaan.” Scholten noemt het voorbeeld van de twee scholen aan de Maresiusstraat in Groningen die in 2010 volledig afbrandden. “De vlammen sloegen in spouw, die brandbaar materiaal bevatte. Dat leidde ertoe dat de brandweer het vuur niet onder controle kon krijgen. Er zat toen niets anders op dan het gebouw gecontroleerd te laten afbranden.”

Kennis als kernprobleem

De grootste brandrisico’s ontstaan in gebouwen waar de compartimentering niet op orde is, of de vluchtroutes niet voldoen, zegt Scholten. “De kans op een calamiteit zoals in de Grenfell Tower is klein, maar er zijn wel degelijk risico’s in Nederland omdat de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 niet altijd goed worden uitgevoerd. De kern van het probleem ligt in de beperkte kennis over brandveiligheid in de bouwsector. Bouwen is een integraal proces van verschillende disciplines. Maar in het onderwijs is nauwelijks aandacht voor brandveiligheid. Bovendien is er geen stimulans voor de bouw om kennis over brandveiligheid te vergroten en te borgen.”

De nieuwe Wet kwaliteitsborging voor het bouwen zou de situatie kunnen veranderen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat aannemers aansprakelijk zijn voor gebreken, ook als deze pas na de oplevering worden ontdekt. Volgens Scholten kunnen aannemers gebreken – en dus claims – alleen voorkomen als hun kennisniveau op peil is. “De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen stimuleert de bouwsector daarom om de voorschriften na te leven. Dat is hoog nodig, want zonder juridische incentive verbetert er niets.”

“Brandveiligheid is één van de vele aspecten waaraan de bouw aandacht moet besteden. Naast brandveiligheid hebben bouwers ook te maken met constructieve veiligheid en zaken als geluidswering en energiezuinigheid,” vult Van Herpen aan. “Een integrale aanpak omvat alle disciplines. Daarnaast is brandveiligheid niet zo simpel: er zijn veel regels en de regelgeving maakt de onderlinge samenhang niet expliciet. Daar komt bij: de bouw onderkent het rendement en de gebruikswaarde van brandveiligheidsvoorzieningen niet altijd. Er wordt alleen naar investeringskosten gekeken, ook al reduceert een goede aanpak zowel persoonlijke veiligheidsrisico’s als het risico dat een gebouw afbrandt.”

Van Herpen ziet het gebrek aan kennis over brandveiligheid vooral bij relatief kleine bouwprojecten, zoals standaard woon- en kantoorgebouwen. Daar is doorgaans geen budget om een team van specialisten in te stellen. Alle kennis moet dan vanuit de architect en aannemer komen. “Bij grotere en bijzondere bouwprojecten wordt vaak een multidisciplinair ontwerpteam gevormd, waarin ook adviseurs met kennis van brandrisico’s vertegenwoordigd zijn. Dan is het kennisniveau hoger.”

Doelgerichte brandveiligheid

Van Herpen pleit voor meer aandacht voor een doelgerichte of risicogestuurde benadering van brandveiligheid. “We zijn geneigd om alleen te kijken naar de voorschriften uit het Bouwbesluit, in plaats van naar de bovenliggende doelen. De doelen van de Woningwet worden in het Bouwbesluit met een aantal subdoelen geborgd: de brand mag niet uitbreiden naar andere percelen, het gebouw moet stand houden, brand en rook moeten beperkt blijven tot een deel (compartiment) van het gebouw, de vluchtroutes moeten intact blijven en de hulpverleners moeten over veilige aanvalsroutes kunnen beschikken. Door dergelijke doelen te kwantificeren in acceptabele faalkansen of faalrisico’s krijg je een duidelijke maat voor brandveiligheid. En kan je risico’s beter afwegen dan op basis van de voorschriften uit het Bouwbesluit. Er zijn nu immers oplossingen die wel voldoen aan de voorschriften maar in de praktijk toch risico’s opleveren, en vice versa.”

Van Herpen zou graag zien dat de bovenliggende doelen van brandveiligheid bestuurlijk worden vastgelegd. Bijvoorbeeld in een nieuwe Algemene maatregel van bestuur (Amvb) bij de Woningwet. “Bouwers kunnen dan kiezen op welke manier ze brandveiligheid organiseren: via de voorschriften van het Bouwbesluit, of op basis van vastgestelde acceptabele faalkansen of faalrisico’s. De doelgerichte benadering van brandveiligheid is juridisch gezien misschien wat ingewikkelder, maar biedt wel een objectievere maatstaf om risico’s te beoordelen.”

Verhogen van de kwaliteit

Scholten pleit ervoor dat toeleveranciers aan de bouw uit eigen initiatief uitleg geven over de juiste toepassing van hun producten. “Leveranciers moeten – al dan niet samen met technisch adviseurs – uitleggen hoe hun product feilloos verwerkt kan worden zodat een gebouw goed wordt opgeleverd. Voor tachtig procent van de werkzaamheden die in de bouw worden uitgevoerd moet het mogelijk zijn om dergelijke erkende technische oplossingen te beschrijven. Op die manier moet de bouw uiteindelijk zeker de kwaliteit kunnen leveren die we mogen verwachten. Ook al duurt het misschien nog wel tien jaar voordat het zo ver is.”

Wat ging er mis bij de Grenfell Tower?

Het duurt naar verwachting nog enkele maanden voordat de officiële onderzoeksrapporten naar de oorzaken van de dodelijke brand in de Londense Grenfell Tower verschijnen. De eerste berichten zijn dat er sprake was van een combinatie van factoren. De brand ontstond in een koelkast in een appartement op de derde verdieping. Door de brandbare gevelelementen kon het vuur zich snel verspreiden langs de gevel. Ook was de compartimentering onvoldoende: de brand verplaatste zich ook binnendoor razendsnel, zelfs naar hogere verdiepingen. Het enige vluchttrappenhuis was waarschijnlijk niet goed ingericht, waardoor bewoners niet tijdig konden vluchten.

Nederlandse experts zijn het er in ieder geval over eens: er is slechts een kleine kans dat we in Nederland te maken krijgen met een calamiteit zoals in de Grenfell Tower. Ruud van Herpen: “In Nederland zijn woontorens met uitsluitend inpandige vluchtroutes nog relatief jong. Veel galerijflats hebben wel een ouderdom die vergelijkbaar is met de Grenfell Tower. Maar daar zijn de vluchtmogelijkheden per definitie beter.” Nico Scholten vult aan: “In Nederland houden gemeenten en brandweer stevig toezicht op de brandveiligheid in hoogbouw. Natuurlijk kunnen er altijd incidenten plaatsvinden. Maar er is geen sprake van grootschalige brandrisico’s in hoge gebouwen in Nederland.”

Lees dit artikel Gevelisolatie en -afdichting in Nederland: de toekomst na Grenfell Tower ook op Brandveilig.com

Vragen hierover?

Neem dan contact op met Ruud van Herpen over advisering brandveiligheid of met Otto Kettlitz over advisering van gevels-en daken