Per 1 januari 2015 wordt het Bouwbesluit 2012 gewijzigd; onder meer de voorschriften voor energiezuinigheid worden aangescherpt. De wijzigingen zijn opgenomen in Staatsblad 342, jaargang 2014 Dit Staatsblad voorziet niet in overgangsrecht. Worden deze eisen daarom ook van kracht voor vergunningsaanvragen die op 1 januari nog lopen? En hoe moet er na 1 januari met bouwplanwijzigingen worden omgegaan?

1. Vergunningsaanvragen ingediend vóór 1 januari 2015

Volgens artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen getoetst te worden aan het Bouwbesluit 2012. In het bestuursrecht geldt het uitgangspunt dat het recht toegepast dient te worden dat van kracht is op het moment dat een besluit door een bestuursorgaan wordt genomen. Dat betekent dat de versie van het Bouwbesluit 2012 van toepassing is die geldt op moment van vergunningverlening, tenzij in overgangsrecht is voorzien. De datum van indiening van een aanvraag is daarom in beginsel niet relevant, tenzij dit in het overgangsrecht is bepaald.

Dit overgangsrecht is weliswaar niet in het bovengenoemde Staatsblad voorzien, maar wel in het Bouwbesluit 2012. Artikel 9.1, zesde lid van het Bouwbesluit 2012 luidt als volgt:

Op een aanvraag om vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik, een gebruiksmelding of een sloopmelding, gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, alsmede met betrekking tot enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag of melding, blijven de voorschriften van dit besluit en de daarop berustende bepalingen van toepassing, die golden op het tijdstip waarop de aanvraag of melding werd gedaan.

Hieruit volgt dat bij een aanvraag omgevingsvergunning de op moment van indiening van toepassing zijnde versie van het Bouwbesluit 2012 bij vergunningverlening geëerbiedigd dient te worden. Een aanvraag ‘bevriest’ als het ware de versie van het Bouwbesluit 2012 die bij toetsing van de ingediende stukken gehanteerd dient te worden. Nu dit overgangsrecht reeds in het Bouwbesluit 2012 is opgenomen, hoefde er in het Staatsblad 2014, 342 niet voorzien te worden in een specifiek overgangsrecht.

Indien niet in dit overgangsrecht zou zijn voorzien, zou dit betekenen dat voor alle bouwaanvragen waarvan niet zeker is dat zij vóór 1 januari 2015 vergund worden, al rekening gehouden zou moeten worden met de wijzigingen.  Dankzij het overgangsrecht is dat niet het geval. Voor vergunningsaanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2015 zijn de wijzigingen die zijn aangegeven in Staatsblad 2014, 342 dus niet van toepassing. Ook indien er een bezwaar- of beroepsprocedure zou volgen nadat een vergunning is verleend, blijft het recht van kracht dat ook van toepassing was op het besluit.

Foto 2- EPC 0,4 (bron Nieman RI)

2. Wijzigingen bouwplan op of na 1 januari 2015

Op vergunningsaanvragen die zijn ingediend na 1 januari 2015 zijn de wijzigingen Staatsblad 2014, 342 wel van toepassing. Dit heeft ook consequenties voor wijzigingen in een bouwplan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend. Indien wijzigingen in het bouwplan worden doorgevoerd die niet van ‘ondergeschikte aard’ zijn, dient hiervoor een omgevingsvergunning voor bouwen te worden aangevraagd. Het Bouwbesluit 2012 voorziet niet in een overgangsrechtelijke bepaling die voorschrijft dat voor wijzigingen in lopende bouwprojecten dezelfde versie van het Bouwbesluit 2012 gehanteerd dient te worden die van toepassing was op de eerste omgevingsvergunning. Dat heeft tot gevolg dat de wijzigingen die in Staatsblad 2014, 342 staan vermeld in beginsel op het gewijzigde bouwplan van toepassing zijn. Dit kan gezien de inhoud van Staatsblad 2014, 342 (EPC, Rc-waarden) tot ingrijpende consequenties leiden.

Er kan bij de wijziging van een nieuw gebouw dat nog in aanbouw is, geen beroep worden gedaan op de verbouwsystematiek en het rechtens verkregen niveau. Uit jurisprudentie volgt er pas sprake zijn van het ‘vernieuwen of veranderen of het vergroten’ van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012 wanneer dit bouwwerk is voltooid. Zo lang het bouwwerk nog in aanbouw is, kan daarom geen beroep worden gedaan op het rechtens verkregen niveau.

Wij adviseren om, indien dergelijke wijzigingen zich voordoen, met de gemeenten te bespreken aan welk voorzieningenniveau voldaan dient te worden. Uit eerdere wijzigingen blijkt dat gemeenten hier over het algemeen wel pragmatisch mee omgaan en dus ook bij wijzigingen van een gebouw dat nog in aanbouw is, er mee akkoord gaan dat de wijzigingen voldoen aan de eerdere versie van het Bouwbesluit. Een mogelijkheid is om aan te knopen bij het criterium “redelijke wetsuitleg”, of bij het gelijkwaardigheidsartikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Het is evenwel niet zonder risico om na 1 januari 2015 wijzigingen door te voeren in bouwplannen waarvoor het Bouwbesluit 2012 van vóór 1 januari 2015 als toetskader heeft gefungeerd. Dit geldt overigens ook voor aanpassingen die niet vergunningplichtig zijn. Het verdient aanbeveling hier bijzondere aandacht aan te besteden indien kopers de keuze wordt geboden om het bouwplan aan te passen. Eventuele keuzenmogelijkheden die consequenties hebben voor EPC of de thermische schil kunnen beter zo veel mogelijk in de eerste vergunningaanvraag meegenomen worden. Mochten zich toch wijzigingen na vergunningverlening voordoen, kunnen deze beter in een zo vroegtijdig stadium met de gemeente besproken worden. Er dient dan rekening mee gehouden te worden dat deze wijzigingen aan de eisen dienen te voldoen die in Staatsblad 2014, 342 staan vermeld. Het blijft dan altijd een mogelijkheid om het gebouw eerst te voltooien, en dan met een beroep op de verbouwsystematiek de wijzigingen alsnog uit te voeren.

ing. Jacco Huijzer
Dit artikel is geschreven door mr. ing. Jacco Huijzer en wordt binnenkort ook gepubliceerd op Omgevingindepraktijk.nl

Lees meer over de wijzigingen EPC en Rc per  01-01-2015 en over Nieman Juridisch Advies