Expertpost Harm Valk voor Duurzaam Gebouwd, 17 augustus 2020

Als we nadenken over de verduurzaming van de gebouwde omgeving, dan gebruiken we de achteruitkijkspiegel.

We baseren ons op ervaringen uit het verleden. Niet bewust, want vaak verborgen in uitgangspunten die de basis vormen van normen en standaarden. Daardoor weten we niet of de gebouwen die we nu neerzetten gaan voldoen aan de eisen van komende jaren. Dat vraagt wel om herziening van een aantal fundamentele uitgangspunten. Het is tijd om vooruit te kijken!

Autorijden met als enige informatie het beeld van de achteruitkijkspiegel. Onmogelijk! We willen het niet eens proberen, zo gevaarlijk is het. En toch is het een goede metafoor voor hoe we onze gebouwen en onze omgeving vorm blijven geven. We dimensioneren op basis van normen en standaarden die afgeleid zijn van ervaringen en meetresultaten. Maar dat is informatie uit het verleden. Prima in tijden van stabiliteit, maar niet als alle randvoorwaarden sterk aan verandering onderhevig zijn. Klimaatverandering is wel het beste voorbeeld, maar zeker niet het enige.

Vooruit kijken

Maar hoe zou dat dan moeten werken? Bijvoorbeeld door in het gebouwontwerp en bij het dimensioneren van gebouwinstallaties uit te gaan van klimaatdata die niet uitsluitend gebaseerd zijn op het verleden, maar rekening houden met de toekomst. En dat gaat om meer dan een hogere maandgemiddelde buitentemperatuur. Langere perioden met dagmaxima boven 30 oC en nachten boven 20 oC, maken nadenken over vormen van koeling noodzakelijk. De kunst is dan om niet in de ‘airco-reflex’ te schieten, maar na te denken over passieve maatregelen, zoals buffering van koude. Lange perioden van droogte die worden afgewisseld met extreem veel neerslag in korte tijd vragen om opvang en vasthouden en ook om constructieve aanpassingen. Overigens niet alleen in de bouw, maar zeker ook in gebiedsinrichting en infrastructuur. Daarin hebben we al veel geleerd, maar dat kan en moet nog beter. Het zijn maar twee voorbeelden uit een veel langere lijst.

Er zijn drie principiële punten die daarbij opgelost moeten worden: de beleidsmatige keuze om vooruit te kijken, het maken van onderscheid naar locatie en het opheffen van de scheiding tussen gebouw en gebied. Een korte verkenning van alle drie de aspecten.

Beleidskeuze

De beleidsmatige keuze om vooruit te gaan kijken lijkt de meest eenvoudige. Besluiten, en door! Maar het vraagt politieke moed, want het vraagt om keuzes op basis van verwachtingen van de toekomst. De parallel met het coronabeleid dringt zich op: 100% besluiten op basis van minder dan 50% informatie, in het besef van het risico dat je in de toekomst moet bijsturen. Die verwachtingen zijn niet spijkerhard, want gebaseerd op modellen, onderzoek en expertkennis. Maar de noodzaak wordt geïllustreerd door recente klimaatmetingen die overeen komen met de worst-case-scenario’s uit het recente verleden.

Gevoelsmatig kan het overkomen als een draai van 1800: van achteruitkijken op basis van meetresultaten naar vooruit kijken op basis van prognoses. Toch is de stap minder groot dan het lijkt. In andere sectoren, zoals de verkeersinfrastructuur, is het gebruikelijk. Bij de bepaling van het rendement van de elektriciteitsopwekking in het kader van de energieprestatie van gebouwen is de draai al gemaakt. Een politiek steuntje in de rug in dit verband is de intentieverklaring “Klimaatverandering en koeling gebouwen”  die medio augustus 2020 is gepresenteerd. Het is een initiatief van OSKA, het Overleg Standaarden KlimaatAdaptatie, een samenwerkingsverband tussen kennisinstellingen, bedrijven, standaardisatie-instellingen en de overheid, die er aan werkt dat nieuwe inzichten over klimaatverandering meegenomen worden in normen en standaarden. Een kwestie van beleidsmatig inkoppen dus.

Locatie-afhankelijkheid

Onderscheid maken naar locatie lijkt logisch. In een ontwerp is het een open deur. In normalisatie en standaardisatie niet. Door juist geen onderscheid te maken en landelijk uniforme uitgangspunten te hanteren wordt het mogelijk om met standaardoplossingen de hele markt te bedienen. Een woning die aan bouwregelgeving en energieprestatie voldoet in Den Helder, kan ook gebouwd worden in Maastricht. Maar het klimaat tussen die twee steden verschilt flink: qua temperatuur, neerslag, zonuren en wind. Toegegeven: in de constructieberekeningen moet een andere windklasse worden aangehouden, maar daar blijft het bij. In BENG-termen moet gedacht worden aan 5-10 kWh/m2; dat is 10- 20% van de grenswaarde in de regelgeving.

Bovendien negeren we daarnaast verschillen tussen stad en platteland: de hittestress in steden is bijvoorbeeld aanzienlijk groter. Het lijkt tijd om deze verschillen mee te gaan nemen. Misschien niet direct in de grenswaarden voor de energieprestatie (BENG en Energielabel), maar toch zeker wel in de berekende warmte- en koudebehoefte voor dimensionering van installaties en bij het prognosticeren van het thermisch comfort, zoals in een temperatuuroverschrijdingsberekening.

Integratie gebouw en gebied

Dan het kunstmatige onderscheid dat we vaak maken tussen gebouw en gebied. Bij het beoordelen van gebouwen, worden gebiedsinvloeden vaak genegeerd. De bouwregelgeving is gebaseerd op spiegelsymmetrie: de aanname dat op het naastgelegen perceel precies een zelfde gebouw staat. Effecten als schaduwwerking van belendingen mogen genegeerd worden bij een beoordeling aan de bouwregelgeving. PV-cellen aan een belemmerde gevel tellen mee in de energieprestatieberekening, maar hebben een significant lagere opbrengst. Gebiedsinrichting, zoals bomen of water, kan enorm bijdragen aan bijvoorbeeld het voorkomen van opwarming binnenshuis, maar wordt bij de beoordeling daarvan genegeerd. Ook op dit vlak lijkt nuance enerzijds en een meer holistische blik anderzijds noodzakelijk voor een optimaal praktijkresultaat.

Het begint met het besef dat ‘ontwerpen’ en ‘voldoen aan de norm’ twee verschillende zaken zijn. Maar aan de andere kant moet ‘voldoen aan de norm’ een relatie houden met de realiteit. Door gebouw en gebied meer integraal te beoordelen kunnen we hierin stappen maken. De goede en praktische voorbeelden zijn er, bijvoorbeeld in de plannen voor bestaande wijken in Rotterdam en Arnhem.

Tot slot

Drie aspecten van vooruit kijken. Noodzakelijk vanwege de snel veranderende randvoorwaarden voor onze gebouwde omgeving. Het beperkt zich niet tot klimaatadaptatie, maar dat is wel het onderwerp waarin deze benadering relatief nieuw is. Door daar open naar te kijken, kunnen we een grote stap zetten naar een toekomstbestendige gebouwde omgeving. Tijd dus om afscheid te nemen van het louter sturen op informatie uit het verleden. De noodzaak is er. Nu de daden. Zodat we over een aantal jaren in onze achteruitkijkspiegel zullen zien dat we de juiste afslag hebben genomen.

Lees deze expertpost op Duurzaamgebouwd.nl

Heeft u hierover een vraag?

Neemt u dan met Harm Valk contact op.

Het is tijd om vooruit te kijken