Techniek Nederland interviewde voor het magazine E&W Installatietechniek Nieman’s specialist energie, duurzaamheid & circulariteit Anne Struiksma over verduurzamen, recycling en circulariteit in de dagelijkse praktijk.

Duurzaamheid in installaties met (te) grote stappen vooruit

Er verschijnen tal van leidraden, communities, seminars en andere initiatieven om circulariteit ook in de installatiesector tot bloei te laten komen. Maar de bal ligt niet alleen bij de installateur, die feitelijk afhankelijk is van het aanbod van producenten en het enthousiasme van de afnemer. Of heeft de installatiesector toch meer invloed met zijn eigen aandeel? In elk geval moet de hele keten stappen zetten, van architecten en ingenieurs tot en met de eindgebruiker.

De goede wil om te verduurzamen is er – althans bij de meeste bedrijven. Greenwashing, zich ten onrechte presenteren als duurzaam, doorziet men inmiddels feilloos en straft men ook genadeloos af. Maar wat moet je dan doen als je wél goede intenties hebt? Het blijkt dat in de perceptie van veel bedrijven (maar ook consumenten) op dit moment circulariteit gelijk staat met recycling.

Maar zonder dat we het ons vaak realiseren, is circulariteit een containerbegrip van een groot aantal mogelijkheden op de schaal van hergebruik, die onderling behoorlijk verschillen. En daarmee ook een andere mate van circulariteit hebben. Bovendien valt er voordat recycling aan de orde is, nog op een aantal eerdere gebieden winst te behalen.

Tijd om eens te kijken naar het 10R-model van hoogleraar Geowetenschappen Jacqueline Cramer (tussen 2007 en 2010 minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), en van gedachten te wisselen over de dagelijkse praktijk met Anne Struiksma, specialist Energie, Duurzaamheid en Circulariteit bij Nieman Raadgevende Ingenieurs.

Anne Struiksma op de circulariteitsladder

BENG versus MPG

Kruisbestuiving tussen verschillende vakgebieden, dat is nodig om duurzame gebouwen te realiseren met zeer hoog comfort voor gebruikers en een positieve impact op de omgeving. En het is juist die kruisbestuiving waar het veelal aan schort, ziet Anne Struiksma: “De noodzaak om projecten integraal te benaderen neemt toe, want de keuzes grijpen steeds meer op elkaar in. Tegelijkertijd zijn de vakgebieden steeds meer op eilandjes terechtgekomen.”

Als voorbeeld noemt ze het Bouwbesluit, dat de diverse onderwerpen elk in een eigen hoofdstuk indeelt, terwijl er een grote onderlinge samenhang is. “Neem nu akoestiek en brandveiligheid. Van oudsher twee losse specialisaties. Terwijl het optimum voor de ene – bijvoorbeeld onderbrekingen in de scheidingsconstructies voor de akoestiek – een tegengesteld effect heeft op de andere – namelijk voldoende weerstand tegen branddoorslag.” Hetzelfde soort knelpunten herkent Struiksma bij energie- en materialisatievraagstukken.

Zo moet alle nieuwbouw – zowel woningbouw als utiliteitsbouw – bij het aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari van dit jaar voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Maar…: “In BENG-berekeningen vormen zonnepanelen een belangrijke factor in het realiseren van energiezuinig bouwen. Tegelijk scoren diezelfde zonnepanelen vanuit het perspectief van de productie heel slecht in de milieuprestatieberekening.” BENG versus MPG (voluit: MilieuPrestatie Gebouwen), oftewel energie versus materialen: het wordt steeds ingewikkelder wil Struiksma maar zeggen. “Om te overzien hoe beide aspecten op elkaar ingrijpen, is veel bredere kennis nodig.

Er moeten daarom steeds meer partijen aan tafel aanschuiven om integrale oplossingen te ontwikkelen. Met als effect dat die individuele deskundigen per expertisegebied een kleiner aandeel in de totale configuratie krijgen. Die nieuwe rolverdeling vraagt ook nog gewenning.”

Integrale benadering

Om alle opties in circulariteit te kunnen vergelijken, zou een robuuste handleiding zeer welkom zijn. En die is er, zelfs van Nederlandse bodem. Het 10R-model dat is ontwikkeld door Jacqueline Cramer van het Utrecht Sustainability Institute, is breed erkend als een integrale benadering van circulariteit. Het model benoemt verschillende niveaus van circulariteit en maakt duidelijk welke bijdrage elk niveau levert aan de circulaire economie. Het is bovendien dermate generiek, dat het voor elke bedrijfstak – dus ook voor de installatiebranche – een zeer bruikbaar ijkpunt is. En bovendien zeer relevant, want inmiddels maken gebouwinstallaties zo’n twintig tot dertig procent uit van het materiaalgebruik bij een gemiddeld nieuwbouwproject. Een percentage dat naar verwachting de komende decennia alleen maar gaat toenemen in het spoor van verdere verduurzaming – onder andere vanwege groeiende decentrale opwekking en meer lagetemperatuurafgiftepunten, maar ook afname van het aandeel bouwmaterialen.

Het 10R-model bestaat uit tien ‘schaalniveaus’ om met producten en grondstoffen om te gaan. De eerste drie opties richten zich op een slimmer productontwerp, en omvatten ‘Refuse’ (gebruik voorkomen), ‘Reduce’ (minder (primaire) grondstoffen gebruiken) en ‘Redesign’ (circulair herontwerpen/design for disassembly). De stappen vier tot en met acht hebben betrekking op het verlengen van de levensduur van producten. Zo kun je producten ongewijzigd opnieuw gebruiken (‘Re-use’), eventuele kapotte delen vervangen (‘Repair’), weer als nieuw maken (‘Refurbish’), meenemen als onderdeel in het productieproces van dezelfde producten (‘Remanufacture’), of benutten voor een heel andere functie (‘Repurpose’). In de laatste twee stappen blijft er niets meer over van het originele product: het wordt afgebroken tot grondstof voor ander hergebruik (‘Recycle’), terwijl de alleronderste trede van de circulariteitsladder de route naar de vuilverbranding toont, waar zelfs de grondstoffen verloren gaan en alleen wat energie wordt teruggewonnen (‘Recover’).

De tien tredes van de circulariteitsladder volgens het 10R-model om met producten en grondstoffen om te gaan (bron: CB23, Framework Circulair Bouwen).

De tien tredes van de circulariteitsladder volgens het 10R-model om met producten en grondstoffen om te gaan (bron: CB23, Framework Circulair Bouwen).

Losmaakbaarheid standaard

“Ik vermoed al een hoge materiaalefficiëntie bij de productie van installaties”, aldus Struiksma. Gevraagd naar de drie meest voor de hand liggende quick wins, noemt Struiksma als eerste ‘losmaakbaarheid’ voor juist het sloop- en hergebruik proces. Want wat niet wordt gestort, ingefreesd of anderszins redelijk permanent wordt gehecht aan iets anders, is ook weer schoon te verwijderen en voorkomt degradatie. “Zeker leidingen, buizen en kanalen zijn in theorie goed losmaakbaar en daardoor mogelijk herbruikbaar. Er zijn nog wel diverse stappen te zetten.

Vloerverwarming bijvoorbeeld is ook droog te leggen, maar dan krijg je andere detaillering die minder makkelijk is en arbeidsintensiever.” Aan de installateur om opdrachtgevers op deze mogelijkheden te wijzen, maar uiteindelijk moet het verlossende ‘ja’-woord komen van de woningcorporaties, particuliere woningbezitters en andere vastgoedeigenaren die de rekening betalen. Of, en dat heeft helemaal de voorkeur, ingenieurs- en architectenbureaus en fabrikanten zetten nadrukkelijker in op losmaakbaar ontwerpen. Dan hoeft duurzaamheid niet als keuze op het bordje van de eindgebruiker te worden geschoven, maar wordt het een makkelijke, en vooral automatische standaard.

Urban mining

Een tweede quick win ziet Struiksma in een slimmere uitwisseling van gebruikte producten tussen publiek en privaat. “Stel, een vastgoedontwikkelaar bezit een gebouw met zonnepanelen, en heeft daarop met een bepaald rendement gecalculeerd. Na tien, vijftien jaar daalt het rendement tot onder dit niveau en vindt er een herinvestering plaats. Dan zou ik het mooi vinden als die oude panelen, die nog een heel behoorlijke opbrengst halen, worden doorgegeven aan bijvoorbeeld huishoudens waar energiearmoede heerst, buurt- en clubhuizen. Op dit moment worden zonnepanelen nog niet gerecycled tot nieuwe zonnepanelen, de grondstoffen belanden in andere industrieën. Dus behoud dat product en zet ze nog een keer in, op een plek waar ze nog heel waardevol zijn!

Overigens zou ik graag horen of dit al plaatsvindt, dus wie voorbeelden heeft mag me vooral bellen. Voor cv-ketels geldt hetzelfde. In principe bevat dit soort producten veel metalen die het al goed doen in recycling. Maar uit sloopprojecten komen soms ketels die pas vijf jaar oud zijn. Die zijn ideaal als tussenoplossing voor die woningen waar de bestaande ketel aan vervanging toe is, maar de stap naar een warmtepomp op dit moment nog net iets te vroeg komt.” Logistiek zijn er steeds meer mogelijkheden om vraag en aanbod binnen het zogeheten ‘urban mining’ bij elkaar te brengen.

Zo toont het platform Oogstkaart de verschillende actuele donorgebouwen en materialen die daarbij beschikbaar komen. Daarnaast reiken organisaties als Platform CB’23 allerlei perspectieven aan. Struiksma: “Juist het geringe vermogen om ‘om te denken’ staat echter bredere implementatie in de weg. In gesprekken met woningcorporaties merk ik dat er best wel wordt nagedacht om bij sloop en nieuwbouw cv-ketels, misschien radiatoren en sanitair te hergebruiken.

Het bewustzijn dat er een zekere restwaarde is, is er. Alleen zijn hun financiële modellen niet ingericht op deze hypothetische restwaarde. En zolang een nieuw product goedkoper is dan iets dat opgeknapt is, dan kun je het met beperkt budget dus niet rondrekenen. Om toch een kanteling te realiseren zie ik twee oplossingen: enerzijds bij afnemers het besef dat iets niet alleen waardevol is als het geld opbrengt, en anderzijds via de politiek de kosten van – met name primaire – grondstoffen duurder en arbeid goedkoper maken.”

Zesdehands sanitair

Tot slot ligt er nog een belangrijke evangelisatietaak bij fabrikanten en installateurs naar de – met name particuliere – eindgebruiker. Want duurzaamheid is oké, maar het idee van een wastafel, laat staan een wc-pot die op enige manier uit hergebruik komt, wekt bij menig consument de nodige weerstand op. En dat brengt Struiksma tot de derde quick win. “Ik hoorde laatst de opmerking dat als mensen een nieuw huis krijgen, dat ze verwachten dat alles nieuw is. Waar komt die gedachte vandaan? Antiek en vintage vinden we prima. Sterker nog: als je naar een bestaande woning verhuist, dan heb je misschien ook zesdehands sanitair. Naar mijn idee is het cruciaal dat het concept ‘nieuw’ wordt geherdefinieerd. Want dat is uiteindelijk hét antwoord voor iedereen die de urgentie wel voelt, maar zich vervolgens vertwijfeld afvraagt: ‘Hoe dan?’”

Download het artikel Nog niet elke trede benut van de circulariteitsladder en/of lees het artikel op E&W installaties

Wilt u meer weten over circulariteit?

Lees de thema pagina Circulair Bouwen of neem contact op met Anne Struiksma.