Wesley van den Hoeven
Adviseur
Bouwregelgeving en bouwrecht
Stand van zaken per 29 juni 2026
Sinds de inwerkingtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) op 1 januari 2024 is het besluit meerdere keren gewijzigd. De meest recente wijzigingen betroffen de gigabitinfrastructuurverordening per 12 februari 2026 en de implementatie van de eerste tranche van de EPBD IV per 29 mei 2026.
De eerstvolgende wijziging van het Bbl treedt op 1 juli 2026 in werking. Ook daarna zijn verdere wijzigingen en andere voor de bouwregelgeving relevante ontwikkelingen voorzien.
Hierna volgt een actueel, niet-uitputtend overzicht van de meest in het oog springende wijzigingen. Kleinere wijzigingen, redactionele aanpassingen en wijzigingen die pas op langere termijn in werking treden, zijn niet afzonderlijk opgenomen.
Stb. 2026, 55.
Stcrt. 2026, 13092.
Alle nieuw te bouwen en ingrijpend te renoveren gebouwen moeten worden voorzien van een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling. Bij meergezinswoningen moet bovendien een toegangspunt worden gerealiseerd. Voor de eisen in het Bbl over fysieke gigabitinfrastructuur (art. 4.245) mag geen gelijkwaardige maatregel worden getroffen. De verplichtingen uit artikel 10 GIA gelden al vanaf 12 februari 2026. De technische eisen aan deze voorzieningen worden vastgelegd in de nieuwe afdeling 5.7 van de Omgevingsregeling.
Nieman Raadgevende Ingenieurs heeft meegewerkt aan een brochure waarin de regels nader praktisch worden toegelicht.
Stb. 2025, 432.
Stcrt. 2026, 18123.
Per 29 mei 2026 is de NTA 8800:2025 aangestuurd voor het bepalen van de energieprestatie indicatoren van gebouwen (BENG). Belangrijke inhoudelijke wijzigingen als gevolg van de update van de bepalingsmethode zijn:
Verder zijn in de Omgevingsregeling nieuwe versies (2025) aangestuurd voor BRL 9500-U, BRL 9500-W en BRL 9501.
De eisen ten aanzien van laadpunten en leidingdoorvoeren voor elektrische voertuigen worden aangescherpt.
Voor verschillende bestaande gebouwen moet bij meer dan 20 parkeervakken er ten minste één laadpunt, geschikt voor slim laden, aanwezig zijn. Voor nieuwbouw geldt dat de verplichting tot het realiseren van een of meerdere laadpunten, voorbekabeling en leidingdoorvoeren geldt bij meer dan 3 autoparkeerplaatsen bij woongebouwen en bij meer dan 5 autoparkeerplaatsen bij utiliteitsfuncties. Nieuw is dat er leidingdoorvoeren voor laadpunten verplicht zijn ten behoeve van elektrisch ondersteunde fietsen, bromfietsen, speedpedelecs en vergelijkbare voertuigen.
Voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw gelden er specifieke beperkingen voor het treffen van een maatwerkvoorschrift.
Aan artikel 4.160d (systeem voor gebouwautomatisering en -controle) is toegevoegd dat er ook de mogelijkheid moet zijn voor het monitoren van de binnenluchtkwaliteit.
In de nieuwe paragraaf 4.4.5 (nieuwbouw) gelden regels voor woonfuncties voor het energie-efficiënt, zuinig en veilig kunnen functioneren van bouwsystemen. Voor een woonfunctie geldt dat dit systeem in ieder geval moet zijn uitgerust met functies om relevante zaken (zoals rendement, opwekking en verbruik) te kunnen controleren. Daarnaast moet het systeem kunnen reageren op externe signalen en het energieverbruik daarop kunnen aanpassen.
Bij een ingrijpende renovatie gelden de nieuwbouweisen voor het systeem voor gebouwautomatisering en -controle (4.160d) en voor het systeem ter ondersteuning van het energiegebruik van technische bouwsystemen (4.160g).
In afdeling 6.4 worden eisen gesteld aan het energielabel van gebouwen; deze afdeling wordt op diverse punten gewijzigd. Een van de wijzigingen is dat de eigenaar van (een gedeelte van) een gebouw na oplevering van een ingrijpende renovatie verplicht in het bezit moet zijn van een geldig energielabel.
De eigenaar moet een geldig energielabel beschikbaar stellen aan de huurder wanneer de huurovereenkomst wordt verlengd of na een ingrijpende renovatie. Gebouwen die in eigendom zijn van, of worden verhuurd aan, een overheidsinstantie moeten een geldig energielabel hebben. Voor monumenten geldt geen vrijstelling meer van de energielabelplicht. Ook eigenaren van monumenten zijn gehouden om aan de koper of huurder een energielabel ter beschikking te stellen.
De aanpassingen hebben daarnaast ook betrekking op de inhoudelijke eisen aan het energielabel en op de verplichting tot het aanbrengen/zichtbaar maken van het energielabel in het gebouw.
Voor de keuring van airconditioningssystemen wordt gekozen voor een alternatieve aanpak. Die aanpak houdt in dat er gestuurd gaat worden op werkelijk energiegebruik op basis van een standaard aanpak voor gebouwbeheer. Paragraaf 6.5.2 Bbl en paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsregeling zijn komen te vervallen.
Voor de keuring van verwarmingssystemen wordt gekozen voor een alternatieve aanpak. Die aanpak houdt in dat er gestuurd gaat worden op werkelijk energiegebruik op basis van een standaard aanpak voor gebouwbeheer. Paragraaf 6.5.4 Bbl en paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsregeling zijn komen te vervallen.
Eerder was beoogt dat in het Bbl (nieuwe) eisen worden gesteld ten aanzien van fietsparkeren. De wetgever heeft ervoor gekozen dergelijke eisen in het Bkl op te nemen. Het Bbl stelt voor nieuw te bouwen woningen al eisen om fietsen op te bergen. Fietsparkeren wordt in deze wijziging geregeld via het ruimtelijke spoor. Het Bkl bevat daarvoor een instructieregel op grond waarvan het omgevingsplan bij bepaalde nieuw te bouwen utiliteitsgebouwen (met een parkeergelegenheid voor auto’s in het gebouw of buiten het gebouw) moet voorzien in fietsparkeerplaatsen. Het kan straks dus zo zijn dat via het omgevingsplan lokaal eisen worden gesteld aan het aantal fietsparkeerplaatsen en de inrichting.
Voor de implementatie van de eerste tranche van de EPBD IV zijn ook wijzigingen in de Omgevingsregeling doorgevoerd, het gaat daarbij om uitvoeringsregels voor het energielabel en systeem voor gebouwautomatisering en -controle.
Stb. 2025, 432.
Stcrt. 2025, 44480.
Voor drijvende bouwwerken geldt geen milieuprestatie-eis.
Voor de toepassing van de milieuprestatie wordt onder een woongebouw mede verstaan: een (gedeelte van een) gebouw met alleen woonfuncties en nevengebruiksfunctie daarvan, waarin meer dan één woonfunctie is gelegen die niet is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute. Een voorbeeld hiervan zijn beneden- en bovenwoningen met een eigen verkeersroute.
Voor woningen wordt de milieuprestatie-eis beleidsneutraal aangepast naar aanleiding van de herziene bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken (A2-versie). De milieuprestatie-eis voor kantoren wordt met ongeveer 15% aangescherpt. Voor kleinere woningen en niet-compacte kantoren geldt een soepelere eis; de bijbehorende rekenregels en regels voor het verstrekken van gegevens en bescheiden voor de aanvraag worden, met dezelfde inwerkingtredingsdatum, in de Omgevingsregeling opgenomen (art. 5.32, 5.32a, 5.32b en 7.9 Bbl).
Daarnaast wordt een milieuprestatie-eis geïntroduceerd voor andere gebruiksfuncties – met name gericht op winkels, gezondheids-, onderwijs- en industriegebouwen (met uitzondering van een gebouw met een industriefunctie en overige gebruiksfunctie < 50 m²). Dit is in eerste instantie bedoeld om praktijkervaring op te doen.
Bij meerdere gebruiksfuncties in een gebouw geldt een gewogen milieuprestatie-eis.
——————————————————————————————
Artikel 3.87b Bbl, over laadpunten voor elektrische voertuigen bij bestaande bouw, is per 29 mei 2026 gewijzigd. Per 1 januari 2027 wijzigt dit artikel opnieuw. Vanaf dat moment moet een gebouw als bedoeld in dit artikel beschikken over ten minste één laadpunt voor elke tien parkeervakken, in plaats van ten minste één laadpunt in totaal, óf over leidingdoorvoeren voor het elektrisch laden voor ten minste de helft van de parkeervakken.
Op latere tijdstippen vinden verdere wijzigingen van artikel 3.87b Bbl plaats.
Het Bbl wordt aangepast aan de nieuwe regels in de arboregelgeving voor asbest. Zo moeten bijvoorbeeld bij de sloopmelding aanvullende gegevens over het uitvoerende bedrijf worden verstrekt, wordt de verplichting om de aanwezigheid van asbest vast te stellen verruimd en worden uitzonderingen voor spoedwerkzaamheden geregeld. De verplichtingen rond het LAVS vervallen. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.
In het ontwerpbesluit is geregeld dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om bij nieuwe gebouwen, die op kleine punten afwijken van de technische bouwregels, het gebruik toch toe te staan. Dit kan alleen als de kosten van eventueel herstel van die kleine afwijkingen redelijkerwijs niet in verhouding staan tot de baten daarvan. Deze wijziging treedt naar verwachting in werking per 1 januari 2027.
De inwerkingtreding van de wijzigingen uit het Verzamelbesluit Bbl 2025 wordt bij koninklijk besluit nader bepaald. De datum van inwerkingtreding kan per onderdeel verschillen.
Als bouw- en sloopwerkzaamheden moet voldoen aan eisen uit het Bbl, wordt ook aan die eisen voldaan als de uitvoering in oversteenstemming is met een daarop toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.
Om te voorzien in voldoende bruikbare en toegankelijke woningen voor specifieke doelgroepen worden in het Bbl twee nieuwe subgebruiksfuncties (woonfunctie nultreden en woonfunctie zorggeschikt) voorzien. Een woonfunctie nultreden is geschikt voor bewoners met een rollator of rolstoel. Een woonfunctie zorggeschikt is geschikt voor bewoners met een functiebeperking (zorgbehoevend) die gebruik maken van een rolstoel en voor het verlenen van zorg aan die personen. Voor beide subgebruiksfuncties gelden specifiekere toegankelijkheidseisen. Aan de subgebruiksfunctie woonfunctie zorggeschikt worden daarnaast specifieke bouwtechnische regels verbonden, zoals een vrije ruimte van 1,5 m x 1,5 m voor de hoofdtoegang, een vrije ruimte van 1,5 m x 1,5 m of 1,8 m x 1,35 m direct achter de voordeur en grotere afmetingen voor doorgangen, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en toilet- en badruimten.
Enige tijd bestond onduidelijkheid over de vraag óf, en zo ja in welke mate, het Bbl verplichtingen zou bevatten voor het aanbrengen van nestvoorzieningen. Er komt alleen een verplichting voor nieuw te bouwen utiliteitsbouw (met uitzondering van een overige gebruiksfunctie en bouwwerk geen gebouw zijnde), voor woningen komt er geen verplichting. De eisen in het Bbl zien op voorzieningen voor nesten en vaste rust- of verblijfsplaatsen voor bouwwerk afhankelijke diersoorten: huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. De uitvoeringseisen van die voorzieningen worden opgenomen in de Omgevingsregeling (lees ook verder in dit overzicht).
Voor een dergelijke verblijfsvoorziening is niet brandklasse B vereist, maar brandklasse D (art. 4.44, vijfde lid, Bbl).
Na advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State zullen de nieuwe regels worden gepubliceerd.
Onbedoeld is de tekst van artikel 2, vijfde lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 overgenomen in het Bbl (vierde lid, onder n, o en p), waarmee deze ook van toepassing zijn geworden voor de maximale ontruimingstijd van het gehele gebouw (eerste lid). Deze onderdelen worden in een nieuw lid opgenomen en zijn alleen van toepassing op het tweede en derde lid.
De zichtbaarheidseisen uit artikel 5.4.5 van NEN-EN 1838 voor vluchtrouteaanduiding komt te vervallen (eerste lid). De minimale tijdsduur als bedoeld in NEN-EN 1838 is reeds in het derde lid van het Bbl geborgd. Daarnaast zijn in de aangestuurde norm NEN 3011 voor vluchtrouteaanduiding zichtbaarheidseisen opgenomen.
Voor wegtunnels vervalt de verplichting om te voldoen aan de normen NEN 6088 en NEN-EN 1838. Ook voor wegtunnels zullen de algemene regels voor vluchtrouteaanduiding uit NEN 3011 gelden.
Verduidelijkt is dat de specifieke verbouwregels uit afdeling 5.3 Bbl bedoeld zijn als invulling van de algemene verbouwregels uit artikel 5.4 eerste lid, Bbl. In basis geldt dat de verbouwregels alleen van toepassing zijn op de vernieuwing, verandering of vergroting (art. 5.4, vierde lid, Bbl). Uitzondering daarop is de regel voor ingrijpende renovatie of voor het geheel vernieuwen van het verwarmingssysteem (artikel 5.20, zesde lid, Bbl).
Voor het verplaatsen van een bouwwerk wordt het een en ander verduidelijkt. De hoofdregel is dat op het verplaatsen van een bouwwerk de nieuwbouwregels van toepassing zijn. Bij het verplaatsen van een bestaand bouwwerk in ongewijzigde samenstelling geldt het rechtens verkregen niveau, tenzij 1) de nieuwe afdeling 5.5 Bbl anders bepaalt of 2) het bouwwerk door de verplaatsing een tijdelijk bouwwerk is. De voorwaarde dat sprake moet zijn van een ongewijzigde samenstelling geldt niet voor de fundering, de vernieuwing van ondergeschikte constructieonderdelen en het gelijktijdig met het verplaatsen verbouwen van het bouwwerk om te voldoen aan afdeling 5.5 Bbl.
Er wordt een nieuwe afdeling (afdeling 5.5 Bbl) toegevoegd voor het verplaatsen van een bouwwerk. In deze afdeling worden specifieke regels opgenomen in afwijking van het vereiste rechtens verkregen niveau bij het verplaatsen van een bestaand bouwwerk in ongewijzigde samenstelling. Die specifieke regels zien op de geluidwering van de gevel (waar ook een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over gesteld kan worden) en de WBDBO (de nieuwbouwregels voor het beperken van branduitbreiding naar een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw).
Niet duidelijk was bij welke mate van verbouw een bij brand zelfsluitende woningtoegangsdeur was vereist. Verduidelijkt is dat de eis alleen geldt bij het nieuw aanbrengen van een deur met kozijn.
Door VPRC en Nieman is onderzocht welke regels in het Bbl kunnen worden opgenomen om het risico op gezondheidsklachten door het maken en aanbrengen van PUR-schuim verder te verkleinen. Het aanbrengen of maken van PUR-schuim moet gemeld worden bij het bevoegd gezag. Bij die melding moeten verschillende gegevens en bescheiden worden overlegd zodat gemeenten hun toezicht en eventuele handhaving daarop kunnen afstemmen. Verder moeten er tijdens het maken en aanbrengen van PUR-schuim diverse gegevens en bescheiden aanwezig zijn en gelden er veiligheidsmaatregelen bij het aanbrengen van PUR-schuim.
De eisen gelden alleen voor PUR-schuim dat op locatie wordt gemaakt en heeft dus geen betrekking op het aanbrengen van kant-en-klare PUR-schuim uit spuitbussen.
De uitvoeringseisen worden opgenomen in de Omgevingsregeling (lees ook verder in dit overzicht).
De begripsomschrijving van tijdelijk bouwwerk wordt aangepast. Verduidelijkt wordt dat het kwaliteitsniveau van het bouwwerk is afgestemd op de instandhoudingstermijn. En in plaats van de voorwaarde dat het bouwwerk op dezelfde locatie aanwezig moet zijn, wordt bepaald dat het bouwwerk op hetzelfde bouwwerkperceel aanwezig moet zijn.
Een gebruiksgebied wordt anders omschreven omdat onbedoeld werd geregeld dat een gebruiksgebied altijd binnen een brandcompartiment moet liggen. Aangepast is dat een gebruiksgebied niet mag worden doorsneden door een brandwerende scheidingsconstructie (of ander niet-flexibele voorziening, zoals een toilet- of badruimte of technische ruimte).
Eerder was voorgesteld om artikel 2.29 als volgt uit te breiden: onder voorwaarden is het bij grondgebonden woningen mogelijk een buitenunit (voor verwarming en warm tapwater en waarschijnlijk koeling) vergunningsvrij te plaatsen. De voorwaarden hebben betrekking op de positie en afmetingen van deze buitenunit. Deze wijziging wordt niet doorgezet.
Eerder was voorgesteld om artikel 5.13 als volgt uit te breiden: de minimaal vereiste WBDBO van 30 minuten (of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is) bij verbouw geldt voor nieuw aan te brengen constructieonderdelen alleen als de brandwerendheid hiervan volgens NEN 6069 kan worden bepaald. Deze wijziging wordt niet doorgezet.
Eerder was voorgesteld om artikel 5.13a als volgt uit te breiden: de minimaal vereiste WRD van R200 geldt voor nieuw aan te brengen constructieonderdelen alleen als de rookdoorlatendheid volgens NEN 6075 kan worden bepaald. Deze wijziging wordt niet doorgezet.
In de Omgevingsregeling worden uitvoeringseisen (nieuwe paragraaf 5.1.7 Bbl) opgenomen voor de bij nieuwe utiliteitsgebouwen verplichte verblijfsvoorzieningen voor bouwwerkafhankelijke beschermde diersoorten. Deze eisen hebben betrekking op:
Deze wijziging zal tegelijk inwerking treden met het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025. De inwerkingtreding was eerder beoogd per 1 juli 2026, maar zal op een later moment plaatsvinden.
In de Omgevingsregeling worden uitvoeringseisen opgenomen ter uitwerking van de regels die in de artikelen 7.7b en 7.22a van het Bbl worden gesteld voor het maken en aanbrengen van PUR-schuim. Deze eisen hebben onder meer betrekking op de inhoud van het vooropnamerapport en het nacontrolerapport. In deze rapporten moet worden vastgelegd dat is beoordeeld en geregistreerd dat aan de voorschriften voor het maken en aanbrengen van PUR-schuim kan worden voldaan.
Voor het maken en aanbrengen van PUR-schuim bij een woonfunctie gelden eisen over het niet aanwezig zijn van andere personen dan degenen die het PUR-schuim aanbrengen en het gedurende 24 uur niet mogen gebruiken van een verblijfsruimte waarin PUR-schuim is aangebracht. Daarnaast worden eisen gesteld aan de juiste mengverhouding, de maximaal toegestane concentratie methyleendianiline in het PUR-schuim, en verdere voorwaarden aan de scheidingsconstructie waarop het PUR-schuim wordt aangebracht en het ventileren en de temperatuur van de betreffende ruimte.
Deze wijziging treedt tegelijk met het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 in werking. De inwerkingtreding was aanvankelijk voorzien op 1 juli 2026, maar vindt op een later moment plaats.
Gebouwen die eigendom zijn van de overheid en een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m² hebben, moeten voldoen aan een minimumwaarde voor de opwekking van zonne-energie. Deze verplichting geldt niet voor een woonfunctie, een andere logiesfunctie, een overige gebruiksfunctie en een bouwwerk dat geen gebouw is. De hoogte van de minimumwaarde is afhankelijk van de dakoppervlakte en de gebruiksoppervlakte. Aan de eis kan ook worden voldaan door gebruik te maken van een andere hernieuwbare energiebron. Daarnaast gelden enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld vanwege de specifieke omstandigheden van het gebouw of de locatie. Deze wijziging treedt op 1 januari 2028 in werking. Op latere momenten volgen er meer wijzigingen voor de opwekking van zonne-energie.
Vanaf 1 januari 2028 geldt bij bepaalde vergunningplichtige verbouw van utiliteitsgebouwen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m², die geen ingrijpende renovatie betreft, een minimumwaarde voor hernieuwbare energie. Aan deze eis kan ook met andere vormen van hernieuwbare energie dan zonne-energie worden voldaan.
Voor verschillende bestaande en nieuwe gebouwen wordt een systeem voor automatische lichtregeling verplicht. Dit systeem moet op passende wijze per zone zijn ingedeeld en in staat zijn om bezetting te detecteren. Deze wijziging treedt op 1 januari 2028 in werking.
In het ontwerpbesluit zou het onder bepaalde voorwaarden mogelijk worden om bestaande logiesfuncties (vakantie- of recreatiewoning; geen logiesgebouwen) gedurende een periode van maximaal tien jaar te bewonen. Deze mogelijkheid geldt alleen voor personen die uiterlijk op 16 mei 2024 op het betreffende adres woonachtig zijn. Voor deze specifieke bewoning worden zowel in het Bkl als Bbl regels opgenomen. In het Bbl gaat het om lichtere eisen voor afmetingen van verblijfsgebieden en verblijfsruimten (art. 3.90). Daarnaast zijn de eisen voor de geluidwering van de gevel (art. 5.23) en rookmelders volgens NEN 2555 (art. 5.24) die gelden bij een functiewijziging naar een woonfunctie niet van toepassing.
Op dit moment wordt de uitvoerbaarheid verder onderzocht. Verwacht wordt dat er rond deze periode een voorstel naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.
Er komt een minimum energieprestatie-eis voor huurwoningen. Eigenaren van huurwoningen met energielabel E, F of G moeten deze huurwoningen verduurzamen naar een primair fossiel energiegebruik van ten hoogste 290 kWh/m².jr of minimaal energielabel D. Van deze verplichting zijn enkele specifieke huurwoningen uitgezonderd, zoals monumenten, woningen die voor korte duur worden gebruikt en kleine vrijstaande woningen. Daarnaast gelden er andere uitzonderingen en overgangsrecht.
De internetconsultatie is eind 2025 afgerond. De minister heeft aangekondigd de wijziging van het Bbl in de zomer van 2026 ter voorhang aan de Tweede en Eerste Kamer aan te bieden. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2029.
De adviesgroep van het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (STOER) heeft concrete voorstellen gedaan die moeten leiden tot meer, snellere en goedkopere woningbouw. Het eindrapport is in de zomer overhandigt aan de minister van VRO, daarop volgde een kabinetsreactie op 10 oktober 2025. Beoogt is dat vanaf september 2026 een wijzigingsbesluit met diverse adviezen ter voorhang aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Het betreft de punten uit onderstaande opsomming. Daarnaast wordt in dit wijzigingsbesluit de mogelijkheden voor het vergunningsvrij bouwen (technische bouwactiviteit) verruimd.
Bij de voorgenomen wijziging van het Bbl in het kader van STOER worden ook de regels voor het CO-stelsel vereenvoudigd. Situaties waarin een koolmonoxideconcentratie van meer dan 20 ppm wordt gemeten en de installateur het probleem direct oplost, hoeven niet langer bij het bevoegd gezag te worden gemeld.
Bij ‘bijna-ongevallen’ die wel meldingsplichtig blijven, moet voortaan ook informatie over de achterliggende oorzaak worden verstrekt. Hiervoor wordt ook de Omgevingsregeling aangepast.
De eerste tranche van de EPBD IV is op 29 mei 2026 in werking getreden. Voor de tweede, derde en vierde tranche stippen we de volgende belangrijke mijlpalen:
Bij de nieuwbouw en verbouw van hoge gebouwen wordt de brandklasse van de gevels aangescherpt van brandklasse B naar brandklasse A2 (artikel 4.44a Bbl). Het gaat hierbij om constructieonderdelen die grenzen aan de buitenlucht en hoger liggen dan 50 m boven het meetniveau van gebouwen waarin wordt geslapen (gebouwen met een woonfunctie, woonfunctie voor zorg, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, celfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of logiesfunctie) en constructieonderdelen hoger dan 30 m van gebouwen waarin wordt geslapen door verminderd zelfredzame personen (woonfunctie voor zorg, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, celfunctie of een gezondheidszorgfunctie met bedgebied).
In plaats van brandklasse A2 mag ook worden voldaan aan bij ministeriële regeling gestelde regels. In de Omgevingsregeling zal daartoe een alternatieve methode voor de brandklasse A2 eis worden vastgelegd. Het gaat daarbij om het toepassen van grote of middelgrote brandproeven op gevels.
Voor dezelfde categorieën hoge gebouwen worden ook de eisen aan de brandwerendheid aangescherpt (artikel 4.53a Bbl). Deze wijziging komt neer op een extra brandwerendheidseis van 120 minuten tussen brandcompartimenten/ ruimten die in hoogte meer dan 20 meter van elkaar liggen. De eerdere eisen in het Bbl regelen al dat direct boven elkaar gelegen brandcompartimenten/ ruimten een brandwerendheid moeten hebben van 60 minuten. De eis van 120 minuten geeft een extra veiligheid dat in een hoog gebouw geen snelle branduitbreiding plaatsvindt over een grote hoogte van het gebouw.
Naar verwachting treden de wijzigingen van het Bbl en de Omgevingsregeling op 1 juli 2027 in werking.
Europa ontwikkelt 440 nieuwe productnormen voor de CE-markering van bouwproducten. Nederlandse experts worden daarbij betrokken om nationale kennis en belangen te waarborgen. Als gevolg van deze herziene verordening wordt in 2026 verder gewerkt aan een wijziging in het Bbl.
Naar aanleiding van drie branden met snelle branduitbreiding via de gebouwschil is onderzoek gedaan naar mogelijke oplossingen om dit te beperken. Op korte termijn zal de naleving van bestaande brandveiligheidseisen te verbeteren door deze nader toe te lichten en te verduidelijken. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan wijzigingen in het Bbl om branduitbreiding via de gebouwschil te begrenzen.
In het Bkl, het Bbl en het Omgevingsbesluit worden regels opgenomen om de betrouwbaarheid van het energielabel te vergroten. Het ontwerpbesluit is op 22 juni 2026 voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer. Deze regels hebben betrekking op het publiekrechtelijk toezicht op de werking van het kwaliteitsborgingssysteem. In het Bbl wordt vastgelegd dat het opnemen en registreren van de energieprestatie alleen is voorbehouden aan een certificaathouder en moet worden uitgevoerd volgens een certificatieschema. Nadere regels aan het certificatieschema, het register, de certificatie-instelling worden in de Omgevingsregeling opgenomen.
De datum van inwerkingtreding zal op een vast verandermoment plaatsvinden en wordt bij koninklijk besluit vastgesteld.
Met de internetconsultatie van 19 december 2024 zijn wijzigingen in aangestuurde normen in de Omgevingsregeling aangekondigd. Een aantal wijzigingen nemen we hieronder toe.
De datum van inwerkingtreding van deze wijziging is nog niet bekend. Daarbij wordt opgemerkt dat het programma STOER mogelijk nog tot aanpassingen leidt.
Naar verwachting treden per 1 januari 2029 nieuwe Eurocodes en Nationale bijlagen ten behoeve van constructieve veiligheid van bouwwerken in werken.
Onderzoek toont aan dat de huidige brandveiligheidseisen in het Bbl onvoldoende aansluiten bij gebouwen van massief hout vanwege de hogere permanente vuurbelasting. Daarom zal het Bbl worden aangepast. De wijziging gaat naar verwachting na de zomer in consultatie. Beoogt is dat de NTA 6125 straks een basis biedt om aan de nieuwe eisen te voldoen.
Naar aanleiding van diverse stalbranden wordt verkend of de brandveiligheid van stallen verbeterd kan worden. De verwachting is dat na de zomer de vervolgstappen voor het verbeteren van de brandveiligheid worden gepubliceerd.
De fysieke toegankelijkheid van gebouwen wordt belangrijker; daardoor is een inventariserend onderzoek gedaan of de regels nog voldoende aansluitend bij de veranderende zorg. Denk aan de toenemende zorg van bewoners in hun eigen huis. Eind 2026 worden de uitkomsten en mogelijke vervolgstappen voor aanpassingen in het Bbl gepubliceerd.
De normering van hybride warmtepompen in het Bbl wordt momenteel onderzocht. Eind 2026 zal hier meer over bekend worden.
Bij huurwoningen en kindlocaties (kinderopvang, gastouderopvang en basisscholen) komt een verbod op loden leidingen (concentratie van lood niet meer 5 microgram per liter). Voor deze eis zal een overgangstermijn gelden, zodat eigenaren de tijd krijgen om de loden leidingen te vervangen. De datum van inwerkingtreding van deze wijziging is nog niet bekend.
Sinds 2021 geldt voor nieuwbouwwoningen de TOjuli-eis ter voorkoming van oververhitting. In 2030 wordt onderzocht hoe de gemoderniseerde NEN-bepalingsmethode beter kan sturen op oververhittingsrisico’s in bouwwerken.
Adviseur
Bouwregelgeving en bouwrecht